Op deze winderige mammoetsteppe van het Laat-Pleistoceen, ongeveer 126.000 tot 11.700 jaar geleden, sluipen twee grotleeuwen (*Panthera spelaea*) laag door pollen zwenkgras op een gespannen groep wilde paarden (*Equus ferus*) af. De toeschouwer ziet een open, boomloze rug van löss en door vorst gebroken bodem, waar stof opwaait onder de hoeven van compacte, koudetolerante paarden terwijl de grote, manloze leeuwen hun hinderlaag voorbereiden. Dit uitgestrekte steppebioom van Oost-Europa tot Zuid-Siberië voedde iconische ijstijddieren zoals wolharige mammoeten, neushoorns en bizons, en was een van de rijkste megafaunalandschappen van de laatste ijstijden.
In het lage avondlicht van het Laat-Pleistoceen, grofweg 50.000 tot 15.000 jaar geleden, stapt een wolharige neushoorn, Coelodonta antiquitatis, met krachtige tred over een bevroren lössvlakte, gevolgd door een rij steppebizons, Bison priscus, waarvan de hoge schouders met rijp zijn bestoven. De bodem is gebarsten in veelhoekige patronen door ijswiggen in de permafrost, een kenmerk van de koude, droge mammoetsteppe die zich ooit uitstrekte van West-Europa tot Siberië en Beringia. Deze voedselrijke maar boomloze grasvlakte ondersteunde een indrukwekkende gemeenschap van ijstijdreuzen, waarin zulke grote grazers het landschap mee vormgaven onder de harde greep van wind, vorst en seizoenen.
Op deze winderige lössvlakte uit het Laat-Pleistoceen, ongeveer 50.000–12.000 jaar geleden, trekt een kleine kudde wolharige mammoeten, Mammuthus primigenius, door een open steppe van Stipa-grassen en zilvergrijze Artemisia. Hun donkere ruige vacht, kleine oren en tot circa 3 meter lange spiraalvormige slagtanden waren aanpassingen aan de koude, droge omstandigheden van de mammoetsteppe, een uitgestrekt en voedselrijk periglaciaal landschap dat zich ooit van West-Europa tot Siberië en Beringia uitstrekte. Het opwaaiende lössstof, de dunne sneeuwstrepen en de bevroren bodem tonen een wereld van ijstijden waarin deze reuzen samenleefden met onder meer steppebizons, wolharige neushoorns en roofdieren als de holenleeuw.
In de gure schemer van het Laat-Pleistoceen, ongeveer 20.000–15.000 jaar geleden, zien we een kamp van Homo sapiens op de Oost-Europese mammoetsteppe: lage hutten gebouwd uit botten en slagtanden van mammoeten, met huiden erover gespannen, lichten op in het oranje schijnsel van het vuur. Op de bevroren lössgrond wordt een wolharige mammoet, Mammuthus primigenius, vakkundig geslacht, terwijl raafachtigen van de soort Corvus corax geduldig wachten in de snijdende wind. Dit open, droge en voedselrijke periglaciale landschap — met grassen, zeggen en alsemachtige kruiden — behoorde tot een uitgestrekte “mammoetsteppe” die tijdens de IJstijden grote kuddes megafauna voedde en menselijke jagers aantrok.
Op de ondiepe Beringzee-bodem woelen walrussen, Odobenus rosmarus, met hun borstelige snuiten en lange ivoren slagtanden door modderig zand, terwijl ze grote tweekleppigen zoals Mya truncata en Serripes groenlandicus opgraven en opzuigen; roze noordelijke garnalen (Pandalus borealis) en brokkelsterren schieten weg uit de opgewervelde slibwolken. Dit tafereel speelde zich af tijdens het Laat-Pleistoceen, ongeveer 126.000 tot 11.700 jaar geleden, toen lagere zeespiegels de uitgestrekte Beringische shelf blootlegden of ondiep maakten in een koude, troebele wereld van ijstijden. De scène laat zien dat de “mammoetsteppe” niet alleen uit droge graslanden bestond, maar ook grensde aan voedselrijke poolzeeën waar zeezoogdieren floreerden.
Aan de koude Noord-Pacifische kust van het Laat-Pleistoceen, ongeveer 20.000 tot 12.000 jaar geleden, glijden witte beloega’s (Delphinapterus leucas) van zo’n 4 meter lang door helder blauwgroen water tussen wuivende kelpen van Laminaria en Alaria en flitsende scholen haring (Clupea harengus). Op de rotsige zeebodem liggen paarse zeesterren en groene zee-egels (Strongylocentrotus droebachiensis), terwijl boven de waterspiegel een kale, door vorst en wind geteisterde steppekust van Beringia of zuidelijk Alaska zichtbaar is. Dit was de mariene rand van de mammoetsteppe: geen bosrijke kust, maar een subarctisch kelpwoud naast een droge, voedselrijke periglaciale wereld waarin land- en zeeleven elkaar aan de rand van de ijstijden ontmoetten.
Aan de rand van het mammoetsteppe-landschap van het Laat-Pleistoceen, ongeveer 126.000 tot 11.700 jaar geleden, komen Groenlandse walvissen (*Balaena mysticetus*) van 14–18 meter lang boven in staalblauw poolwater langs vast zee-ijs, hun zwarte ruggen en ijle ademwolken scherp afgetekend tegen de bleke lucht. Onder het oppervlak zweven dichte wolken van *Calanus*-roeipootkreeftjes en *Thysanoessa*-krill, kleine kreeftachtigen waarop deze reusachtige baleinwalvissen filtervoedend leefden. De scène laat zien hoe zelfs in de ijzige randzeeën van de IJstijden enorme zeezoogdieren afhankelijk waren van microscopisch kleine prooien, in een productief maar streng Arctisch ecosysteem naast de periglaciale kusten van de mammoetsteppe.
Tijdens een korte midzomerse dooiperiode in het Laat-Pleistoceen, ongeveer 126.000 tot 11.700 jaar geleden, spreidden ondiepe, vlechtende smeltwaterrivieren zich uit over het droge land van Beringia tussen Alaska, Yukon en noordoostelijk Siberië. In deze boomloze, voedselrijke natte vlakte grazen rendieren (Rangifer tarandus) en muskusossen (Ovibos moschatus) tussen zeggemoerassen, dwergwilgen en paardenstaarten, terwijl watervogels opvliegen uit dooiplassen onder het lage, bijna middernachtelijke zonlicht. Het tafereel laat zien dat de ijstijd niet alleen uit ijs en sneeuw bestond, maar ook uit korte, uitbundige zomers waarin permafrost, slibrijke rivieren en steppe-toendra samen een uitgestrekt megafaunalandschap vormden.